Getuigenissen, Gilbert

“De slechtste jaren waren de jaren toen ik niet eens wist dat ik besmet was”

Geachte heer Minister, Excellentie,

Met enige aarzeling durf ik u deze mail te sturen. Ik weet dat u een erg drukke agenda hebt met waarschijnlijk duizend dingen die belangrijker zijn dan de mail van een burger. Daarom zal ik proberen om beknopt weer te geven waarover het gaat.

Ik ben Gilbert, een ingenieur uit de rand van Brussel. Ik heb hepatitis C gehad. Ik spreek in de verleden tijd, want ik ben een van de gelukkige Belgen bij wie de zware therapie effect heeft gehad.

Eigenlijk heb ik alle reden om dolgelukkig te zijn en eerlijk gezegd, mijnheer de minister, ben ik dat ook. Alleen weet ik maar al te goed wat er boven mijn hoofd heeft gehangen en kan ik niet ten volle van mijn opluchting genieten. Ik heb tientallen mensen ontmoet die besmet waren, maar die niet konden genezen. Die blijven proberen, hopen op een therapie die hen zal kunnen helpen. Vruchteloos proberen. Zij zitten met andere dingen in hun hoofd, excellentie. Vandaar dat ik het initiatief neem om u te schrijven. Uit hun naam. Want ze zijn niet alleen. Meer nog, de meeste mensen die besmet zijn, weten het niet eens. Duizenden landgenoten – ik overdrijf niet – hebben het virus opgelopen. Soms al jaren geleden. Zij riskeren andere mensen te besmetten zonder zich daar bewust van te zijn. Zij lopen gezondheidsrisico’s die kunnen worden vermeden als ze weten wat ze in hun lijf hebben.

Mijnheer de minister, ik ben geen politicus, zelfs geen goede redenaar of begenadigde briefschrijver. Ik ben geen man om opvallend op de barricades te gaan staan, te roepen en te tieren. Ik ben en blijf een stille burger. Maar toch, geachte, toch zou ik u willen overtuigen, willen smeken om iets aan dit probleem te doen. Ik weet dat de gezondheidszorg nu al een overdadige hap uit uw budget betekent, maar u moet beseffen dat elke vroegtijdig gedetecteerde hepatitis C-patiënt ook een enorme besparing op datzelfde ziektebudget is.

Mag ik u een suggestie doen? Overweeg om, gedurende enkele jaren, elke bloedafname automatisch te testen op hepatitis. Nu gebeurt dat al bij zwangere vrouwen en bloedgevers. Gelukkig! Maar zovele mensen zijn besmet zonder het te weten. Mobiliseer uw dokters, maak de ziekenfondsen warm, voer campagne zodat de mensen er zelf om vragen. 

Dit is mijn vraag aan u, excellentie. Omdat ik niemand toewens wat ik rondom mij heb zien gebeuren. Omdat gezondheidszorg de zorg van iedereen is. En, vooral, omdat hepatitis C zo besmettelijk is.

Met de meeste hoogachting,

Gilbert

Gilbert is 62 jaar, getrouwd met Leen, vader van een zoon en een dochter, grootvader van een zesjarige sloeber en een baby’tje van vier maanden. Hij woont in de rand van Brussel, nu nog met zicht op weidse velden. Straks worden daar tientallen sociale woningen gebouwd. 

Mijn verhaal begint bijna veertig jaar geleden. Ik had mijn studententijd achter de rug en ging, zoals elke goede Belgenzoon, naar het leger. Ik was een jongen zoals dertien in een dozijn. Ik genoot van het leven en dacht dat ik onfeilbaar was. Ik was in Duitsland gekazerneerd. Net zoals alle miliciens in die tijd in Duitsland kenden wij blindelings de weg naar de kantine. Pintjes dronken we zelden, want de whisky kostte daar amper acht frank (20 cent). Toen ik last kreeg van mijn lever, was ik dan ook niet echt verwonderd.

Ik ging naar de legerarts. Een beetje opletten met de drank en het zou allemaal wel overgaan, dacht ik. Alleen was ik duidelijk niet in de wieg gelegd voor de doktersstiel. Niet mijn lever speelde mij parten, maar mijn nieren, vertelde de specialist. Ik had een aangeboren afwijking en de enige remedie om daarvan af te geraken, was een operatie.

Zo lag ik op mijn 25ste op de operatietafel. Toen ik uit narcose kwam, hoorde ik dat die operatie niet zo eenvoudig was verlopen. Ik had een inwendige bloeding gekregen en pas na drie volle zakken donorbloed was mijn toestand verbeterd.

Veel weet ik niet meer van die tijd. De nieroperatie was geslaagd en dat het warenhuis Innovation in de Brusselse Nieuwstraat afbrandde was toen veel belangrijker dan mijn operatie.

Ik werd ingenieur, kreeg kinderen en alles leek goed te gaan. Ik was wel gemakkelijk moe, had veel rust nodig en ’s avonds een stapje in de wereld zetten, eindigde systematisch met een Gilbert die om tien uur naar huis trok omdat hij van vermoeidheid niet meer op zijn benen kon staan. Ik dacht dat het mijn gestel was, vond het uitermate vervelend maar schikte mij erin.

Door de nieroperatie die ik achter de rug had, moest ik geregeld naar de dokter om mijn bloed te laten controleren. In 1985 kreeg ik te horen dat ik hepatitis had. Het was niet het type A of het type B, maar een type die ze niet kenden. Ik werd naar huis gestuurd met de diagnose non A-, non B-hepatitis en daarmee was de kous af. De artsen verzekerden me dat ik me niet ongerust hoefde te maken en me er zeker niets van moest aantrekken. Wat ik had, was helemaal niet erg. Meer nog, verdere controle was niet eens nodig. Er was geen sprake van dat ik mijn levenswijze moest aanpassen, laat staan dat de artsen me waarschuwden voorzichtig te zijn met alcohol. Niets daarvan. Ik had de diagnose en daarmee was de kous af. Definitief. Het zou wel overgaan.

Mijn huisarts reageerde enigszins anders. Hij was wel verontrust. Hij raadde me aan eens een serieus dieet te volgen. Niet om te vermageren, wel om mijn lever een tijdje te sparen. Ik mocht geen frieten meer eten, geen eieren of chocolade en alleen als ik het echt niet kon laten, mocht ik eens nippen aan een glas wijn. Nippen, niets meer.

Ik hield me plichtsgetrouw aan zijn raadgevingen. Een jaar later liet de huisarts mijn leverfunctie opnieuw controleren. Ik was er gerust in. Door dat strenge dieet zou alles ondertussen wel opgelost zijn. Niets was minder waar. Mijn levertests waren zelfs nog slechter.

Toen dacht ik: Foert! Als ook een dieet niet hielp, moest ik er maar mee leren leven. En ik leefde…

Tot het jaar 2000, precies 36 jaar nadat ik eigenlijk de eerste symptomen had gekregen. De huisarts belde me in paniek. Een paar dagen eerder was ik bij hem geweest voor een inspuiting tegen mijn hardnekkige rugpijn. Meer uit routine had hij een bloedstaal genomen. Ongevraagd had het laboratorium op dat bloed ook een hepatitis C-test uitgevoerd. Nu kun je je wel beledigd voelen omdat zo’n lab helemaal ongevraagd tests uitvoert. Maar net die test heeft wel mijn leven – kwalitatief en kwantitatief – gered. Ik was besmet met hepatitis C…

Mijn eerste vraag ging over hoe en waar ik die besmetting had opgelopen. Alleen bloedcontact kan het virus doorgeven en tenzij mijn vrouw besmet was geweest, kon ik het maar op een moment hebben gekregen: zoveel tientallen jaren geleden bij de bloedtransfusie na mijn nieroperatie.

Ik ben toen bij die diagnose vrij nuchter gebleven. Mijn zus had kanker en toen gingen al onze aandacht en onze zorgen naar haar. Zij zou trouwens meteen naar de bibliotheek zijn gerend om alle mogelijke details te weten te komen. Mij interesseerden die niet. De grote lijnen van het verloop van zo’n besmetting wilde ik wel weten. Maar meer niet. Ik wist dat het ernstig was en dat was voldoende.

De huisarts was cru maar eerlijk. Als ik meer informatie wilde, moest ik naar een specialist. Hij kende er te weinig van en hij zei me ook meteen dat ik hem beter geen details kon vragen. Hij kon ze mij niet geven. Ik vroeg een afspraak in het universitair ziekenhuis. Een jonge arts onderzocht mijn bloed en liet een leverpunctie uitvoeren. Het klikte niet tussen mij en die arts. Voor mij was dat onoverkomelijk. Ik wilde een arts bij wie ik me goed voelde en in wie ik vertrouwen kon hebben. Ik veranderde van dokter. Deze keer zat het wel meteen goed. Die specialist stelde me een behandeling voor. Ik ging onmiddellijk akkoord tot ik de prijs hoorde: 25.000 euro. Ik sloeg achterover. Wij hadden, jaren geleden, gebouwd en onze kinderen hadden gestudeerd. Eigenlijk was het heel eenvoudig: wij hadden geen 25.000 euro en wij konden er ook niet aan geraken.

Ik was niet de enige in dit geval. Er zijn zoveel besmette Belgen en voor elk van hen zou het zoveel kosten om een behandeling te volgen. Er was maar een alternatief: meedoen aan een farmaceutische studie. De arts waarschuwde me: het was ook mogelijk dat ik een placebo kreeg. Tja, dan moest het zo maar zijn. Eigenlijk had ik geen keuze. Zonder behandeling zou ik zeker niet genezen. Ik deed mijn ogen dicht en sprong. Ik moest en zou op de lijst van proefkonijnen staan.

Toch duurde het vrij lang – voor mij veel te lang – voordat ik in zo’n studie kon stappen. De reden was cynisch genoeg dat de toestand van mijn lever niet slecht genoeg was. Maar ik besefte dat ik meer kansen op genezing had als ik zo snel mogelijk een behandeling kreeg. Maar telkens weer, net voor zo’n nieuwe studie, waren mijn levertests eigenlijk net te goed. Ik heb toen gedaan wat ik dacht dat ik moest doen. De dag voor de zoveelste test was ik uitgenodigd op een lentefeest van de kinderen van mijn broer. Ik liet me eens goed gaan, at zonder ergens op te letten, dronk een paar glazen (iets waarvan ik me de laatste jaren had onthouden) en sloot de dag af met een dubbele whisky. De test de dag daarop was ‘goed’ en ‘slecht’. Slecht voor mijn lever, goed voor de studie. Ik mocht meedoen.

Meteen na die voor mij toch heuglijke dag kreeg ik bovendien erg goed nieuws: de studie waarvoor men proefkonijnen zocht, was een studie die vooral ging over de dosering van de medicijnen. Iedereen zou dus het geneesmiddel krijgen, maar elke proefgroep zou het in een andere dosis krijgen. Het risico van een placebo was nihil.

Heel snel werd duidelijk wat mij te wachten stond: elf maanden, zeven dagen op zeven zou ik een inspuiting moeten krijgen en een handvol pillen moeten nemen. Drie miljoen eenheden interferon en zes pillen ribavirine per dag. Alstublieft. Ik leerde me zelf inspuiten. Dat spaarde mij een dagelijkse rit naar een dokter en veel tijd. Ik gaf er niet om. Een van mijn vrienden leed aan suikerziekte en die moest zichzelf wel vier keer per dag inspuiten. Wat zou ik dan moeilijk doen over een spuitje per dag?

De nevenwerkingen waren zwaar, maar draaglijk. Ik kreeg hoofdpijn, werd misselijk en voelde me ‘mottig’. Als een vrouw van vijftig jaar kreeg ik ’s nachts ‘vapeurs’, warmteopstoten waardoor mijn pyjama doorweekt was van het zweet. Ik sliep slecht en ik voelde mijn reserves afnemen. Maar ik zette door. Ook op mijn werk. Vier jaar eerder was ik door reorganisatie van het bedrijf waar ik toen in dienst was, mijn werk als ingenieur kwijtgespeeld. Ik hoef er geen tekeningetje bij te maken dat het niet gemakkelijk is om als vijftigplusser nog ergens in dienst te worden genomen. Maar om thuis te zitten voelde ik me veel te jong en veel te dynamisch. Na mijn ontslag was ik dan ook zelf een zaak begonnen. En bij alle zelfstandigen gebeurt hetzelfde: de eerste jaren investeer je alleen. Pas na een paar jaar begin je naam en faam te krijgen en kan een zelfstandige zaak beginnen te renderen. Net op dat ogenblik kreeg ik mijn diagnose. Opgeven was er dus niet bij. Ik moest mijn eenmanszaak draaiend houden. Doorbijten was de boodschap. De enige remedie waren pijnstillers.

Alsof het nog niet genoeg was, kreeg ik daar bovenop nog een zware oorontsteking. Drie weken antibiotica en een pillendoos die mijn dagelijkse gemiddelde aan pillen tot zeventien deed oplopen. Maar ik kon mijn zaak draaiend houden en mentaal was dat ontzettend belangrijk. Ik hield me voor dat ik kon genezen, dus dat ik het aan mezelf en mijn familie verplicht was om door te zetten. Nog iets anders stond voor mij als een paal boven water: wat er ook gebeurde, het bestaande klantenbestand moest ik koste wat kost behouden. Ik kon ermee leven dat ik gedurende de hele therapie geen klanten bij zou winnen, maar verliezen, o neen.

Ik heb toen ook iets gedaan wat weinig met hepatitis besmette patiënten doen: ik bracht mensen op de hoogte. Alle leveranciers en de belangrijkste klanten kregen van mij een brief. Ik vertelde hun wat er gaande was en wat ze van mij de volgende maanden wel en niet konden verwachten. Niemand heeft er negatief op gereageerd. Openlijk toch niet. Maar ik heb ook geen enkele aanwijzing dat ze er achter mijn rug anders over deden.

Mijn hele leven heeft al die maanden rond de behandeling gedraaid. Mijn hobby – ik was een verwoede wandelaar – kon ik wel vergeten. Na honderd meter op een kleine helling pufte en blies ik alsof ik een marathon achter de rug had. Ik wist dat die uitputtingsslag door de pillen kwam en die wetenschap maakte het draaglijker. Later zou het wel weer in orde komen zodra ik die pillendozen opzij kon zetten.

De specialist was mijn trouwste supporter. Hij was eerlijk, rechtuit en hij geloofde in zijn zaak. Ik had honderd procent vertrouwen in de therapie. Die combinatie deed wonderen. De arts gaf me dertig procent kans op genezing. Dat is bijna een op de drie. Ik had een aantal elementen tégen: ik was man, ouder dan vijftig jaar en ik had het virus vermoedelijk al meer dan 35 jaar in mijn lijf. Dat zat me allemaal tegen. Mijn wil en de medicijnen zouden die prognose moeten doen keren.

En de prognose keerde. Zes maanden na het begin van mijn behandeling kreeg ik ontzettend goed nieuws. Met een glimlach van oor tot oor wist de specialist mij te vertellen dat ik virusvrij was. Dat was het goede nieuws. Het minder goede nieuws was dat ik de therapie nauwlettend moest voortzetten. Nog vijf maanden spuiten en slikken.

Soms zeggen patiënten dat de eerste maanden de moeilijkste zijn. Ik geloof ze graag, maar dan was ik toch wel de uitzondering op de regel. Voor mij waren die vijf maanden een beproeving. En voor mijn vrouw niet minder, al klaagde ze niet echt. Maar door de medicatie was ik ontzettend onhandelbaar. Ik werd soms zelfs agressief. Zij probeerde daarmee om te gaan, maar dat was ook voor haar niet gemakkelijk. Van een verpleegkundige die gehuwd was met een man die ook hepatitis C-besmet was, hoorde ik een gelijkaardig verhaal. Haar man had hetzelfde probleem. Die vrouw vertelde me dat ze blij was dat ze precies kon zeggen waar die agressiviteit bij haar man vandaan kwam. Had ze dat niet geweten, dan had ze de scheiding aangevraagd, vertelde ze.

Die herkenbaarheid was erg belangrijk. Voor mij, al besefte ik mijn eigen agressiviteit niet, maar vooral voor mijn vrouw. Als een verpleegkundige, die niet alleen vanuit haar beroepsleven maar ook vanuit haar privé-leven vertrouwd was met de ziekte, zoiets zei, dan moest het ook zo zijn. Toen ik het aan Leen vertelde, was het voor haar niet alleen de erkenning van wat ze meemaakte, maar ook de bevestiging dat die periode voorbij zou gaan.

Maar zelfs als je je moet voortslepen, gaat de tijd vooruit. Ook bij mij. Tot die memorabele laatste dag. De laatste spuit, de laatste pil. En dan de onzekerheid. Want na die laatste medicijnen moest ik nog vier weken wachten om te weten of ik virusvrij was en uiteindelijk zou ik pas zes maanden later weten of ik het etiket ‘definitief virusvrij’ kon krijgen. Zes maanden later was het pas helemaal duidelijk: deze man was virusvrij. Definitief.

Ik had een rondedans kunnen maken, zo blij was ik. Vanuit het ziekenhuis ging ik recht naar het winkelcentrum: champagne halen. Toeval of niet, maar in het winkelcentrum ontmoette ik een vrouw van wie ik wist dat ze ook hepatitis C-besmet was. Zij was doodsbang om aan de behandeling te beginnen en bleef maar twijfelen en de beslissing uitstellen. Ik kon mijn blijdschap niet verbergen. Ze gaf me meteen drie zoenen. Ik kon alleen maar hopen dat ze, door mij daar zo gelukkig te zien, zelf ook de knoop heeft doorgehakt.

Leen en ik belden de kinderen. Ik had hen voortdurend op de hoogte gehouden van mijn ziekte en mijn toestand, zij waren dus ook de eersten die mee mochten vieren. Aan mijn zus en mijn moeder had ik eerst niets verteld. Mijn zus had kanker en ik vond dat ze meer dan zorgen genoeg had. Later, toen ze het wel wisten, zijn beiden behoorlijk boos op mij geweest. Ze vonden dat ik hun die informatie niet had mogen onthouden. Zij hadden het willen weten, hadden me willen steunen. Zeker mijn moeder. Zij had halverwege de therapie wel eens opgemerkt dat ik toch opvallend vermagerd was en dat ik er niet goed uitzag. Ik had haar toen verteld dat het door mijn werk kwam. Ze nam daar, heel argwanend, genoegen mee. Toen alles voorbij was, hebben wij het haar natuurlijk wel gezegd. Ze was diep beledigd.

Ik ben virusvrij en blijf virusvrij. Mijn leven zet zich nu voort zoals voordien. Of, neen, eigenlijk niet. De besmetting met hepatitis C heeft mijn hele jonge leven vergald. Wat ik voor normaal hield – die vermoeidheid – was eigenlijk het signaal dat er iets mis was en ik wist het niet. In die zin was het moeilijkste gedeelte van de ziekte de periode toen ik eigenlijk nog van niets wist.

De behandeling zelf heeft ook gevolgen gehad. Ik ben door de medicijnen permanent mijn reuk kwijt, al kan dat, als we het absoluut positief willen bekijken, af en toe ook een voordeel zijn. En mijn smaak is verminderd.

Soms vragen mensen mij waarom ik mijn verhaal blijf vertellen. Ik ben genezen, ik kan mijn leven leiden zoals ik het wil. Waarom dan altijd weer die oude koeien uit de sloot halen en mezelf telkens weer confronteren met een moeilijke maar belangrijke periode in mijn leven? Ik kan niet zomaar aan de kant blijven staan en toekijken hoe de levens van zovele mensen grotendeels door onwetendheid worden vergald. Hepatitis C is bij bloedcontact besmettelijker dan aids. Er lopen 70.000 Belgen rond die niet eens weten dat ze besmet zijn en dus ook anderen kunnen besmetten. Mijn dochter voelde zich op een bepaald ogenblik ontzettend moe. Ik vroeg de huisarts om haar bloed toch ook eens op hepatitis C te testen. Die man aarzelde, meer nog, ik moest werkelijk aandringen voordat hij het wilde doen. Dat kan niet. Een eenvoudig onderzoek naar antilichamen is goedkoop en kan samen met elk ander bloedonderzoek worden uitgevoerd. Voor de prijs hoeft men het niet te laten, voor de moeite ook niet. Hoeveel Belgen moeten niet geregeld hun bloed laten onderzoeken? Ja, de centra voor bloedgevers en vooral de verzekeringsmaatschappijen kennen het probleem wel. Maar dat is te weinig. Onderzoek op hepatitis C zou automatisch moeten gebeuren. Als een vanzelfsprekendheid.

Nog altijd lopen er tandartsen rond die te nonchalant met hun materiaal omgaan. De tijd van de ijzeren injectiespuiten is gelukkig voorbij, maar er is zoveel tandartsengereedschap dat met bloed in contact komt. Steriliseren is noodzakelijk. En niet alleen de tandartsen zijn een bron van gevaar. Ook kappers. Hoeveel mannenkappers scheren de nekharen van hun mannelijke klanten niet met een echt kappersscheermes? Wordt dat nadien gesteriliseerd? Ik zou het graag geloven. In het beste geval wrijft de kapper even met een watje met ontsmettingsmiddel over het lemmet. Bij de volgende klant gebruikt hij hetzelfde watje opnieuw. Dezelfde frustratie ondervind ik als ik hoor hoe nonchalant nog altijd tatoeages worden gezet, en piercings of permanente maquillage…

De overheid moet ingrijpen. Het is haar plicht. Dat er nu een betere regeling is voor de terugbetaling van therapieën is al iets. Maar vooral preventief valt er nog veel te doen. Daarom vertel ik mijn verhaal.

Update 2015

“Eén ding is zeker, zelfs nu ik het voortgezette verhaal heb verteld… De titel van tien jaar geleden is precies dezelfde gebleven.” Zo besluit Gilbert zijn verhaal. Die titel, zo lang geleden, was dat de slechtste jaren die jaren waren toen hij niet eens wist dat hij besmet was. “En dat blijft zo.”

Toch waren de afgelopen jaren niet allemaal rozengeur en maneschijn.  “Een hartoperatie met overbruggingen, da’s niet mis”, lacht Gilbert. “Maar al ben ik helemaal genezen, toch blijf ik alles volgen. Die nieuwe medicatie zal zo’n verschil maken bij de volgende generatie. De behandeling was toch zo zwaar. Toen was het er op of er onder, nu hebben patiënten die gediagnosticeerd worden met hepatitis C perspectief.”

Voor Gilbert is er niet zo veel veranderd. Hij moet nog altijd door het leven met een zeer sterk verminderd reukvermogen. Door de medicatie die hij toen moest nemen is zijn reuk- en smaakzin voor 95 procent weg. “En dat is vervelend”, zegt hij laconiek terwijl hij er schalks op laat volgen dat het ‘meestal’ vervelend is, niet altijd. “En mijn haar is serieus uitgevallen”, stelt hij vast. Al heeft hij daar gelukkig geen last van. “Maar van mijn ogen wel. Mijn zicht is veel verzwakt en eigenlijk denk ik dat de behandeling tegen hepatitis daar wel iets mee te maken kan hebben…”

Gilbert vindt nog altijd dat er te weinig op hepatitis C gescreend wordt. “In Frankrijk is dat normaal, hier nog altijd niet”, zegt hij en hij verwijst naar minister Vandeurzen die wel akkoord gaat om risicopatiënten die besmet zouden kunnen zijn in de onschuldige  jaren ’60 en ’70. “Sommigen durven te zeggen dat hepatitis C uiteindelijk zal uitsterven, maar ik ben daar niet voor 100 procent van overtuigd”, denkt hij. “Dat het niet meer via bloed zal overgedragen worden, wil ik grif aannemen. Maar er zijn nog altijd drugs en tatoeages.” Gilbert windt zich, net als tien jaar geleden, opnieuw op. “Voor hiv is er wel aandacht, maar voor hepatitis C niet. Toch zijn beide even besmettelijk. Kijk bijvoorbeeld eens bij de haarkappers. Heb jij het gevoel dat daar iets is veranderd? Neen. De haarkappers blijven de neklijn van hun klanten keer op keer met hetzelfde scheermesje bijknippen.”

Ondanks zijn fysieke klachten blijft Gilbert echter de eeuwige optimist, een gelukkige opa… “En meer moet dat toch niet zijn”, vindt hij.

Chantale: Ik wil die geschiedenis achter me laten, maar dat lukt niet altijd… 

Hepatitis C zit onder je vel, de behandeling ook. En op een bepaald moment maakt het zo’n groot deel van je leven uit, dat je het niet meer achter je kunt laten. Dat is ook zo met Chantal. “Ik ben genezen verklaard”, zegt ze. “Goed hé?” Chantals leven loopt bijna op rolletjes. Dochterlief die tien jaar geleden nog een ambitieuze tiener was, is ondertussen huisarts in opleiding, gehuwd en moeder van een stevige peuter. Oma Chantal is een trotse grootmoeder die ten volle geniet van het leven.

“Ik heb wel een cytomegaliebesmetting opgelopen”, vertelt ze. Cytomegalie is een herpesvirus. Meestal onschuldig, maar toch is het opletten geblazen bij mensen die fysiek niet te sterk staan. “Toen heeft de huisarts alles nog eens laten testen, maar het is op alle fronten positief nieuws…”

Voltijds werken is er echter niet meer bij, met een 4/5-job is het leven veel aangenamer.

Dat Chantale door een moeilijke periode is gegaan, kan ze niet van zich afgooien. “Ik heb toen echt wel afgezien”, concludeert ze. “Alleen daarom blijf ik lid van de vereniging al ben ik er nu wat minder actief in dan toen. Eigenlijk zou ik die hele periode achter me willen laten maar hoezeer ik dat ook wil, het lukt me gewoon niet. Ik zie ook nog altijd mensen die me doorheen die geschiedenis zeer nauw aan het hart liggen… Maar ja, dat is niet slecht, hé!”

Uit het boek ‘Er ligt iets op mijn lever. Het (on)mogelijke leven met hepatitis C’

Désirée de Poot & VHC vzw