Getuigenis Marc

“Ik heb naast de weg gelopen, en dit is het cadeau…”

Beste Geoffrey,

Bedankt voor je mailtje. Ik had al van Koen gehoord dat jij nu een ontwenningsprogramma volgt. Knap van je, man! Jij vindt van jezelf dat je een watje bent omdat je er hulp bij nodig hebt. Wel, ik vind jou ontzettend moedig. Je schrijft dat jij je aan mij hebt opgetrokken, dat ik voor jou een voorbeeld ben. Best dat ik een T-shirt aan heb, want anders moest ik nu een knoopje van mijn hemd losdoen! A man has to do, what a man has to do, Geoffrey. Het uiteindelijke doel is hetzelfde: clean worden en blijven.

Ik weet dat ik echt in herhaling val, maar heb je je nu al laten testen op hepatitis C? Waarschijnlijk wordt het nu wel standaard getest bij iedereen die intraveneus heeft gespoten en in een ontwenningsprogramma wordt opgenomen, maar zeker weet ik het niet. Vraag het na, jongeman! Je weet dat ik het zitten heb… Ontwend, zo clean als een pasgeboren lammetje, huisje, tuintje (een kleintje dan), kindje, maar zelf ook hepatitis C.

Mocht het helpen, ik zou me nu een klap voor mijn hoofd geven, maar dat is rijkelijk laat. Ik vraag me trouwens nog altijd af of ik toen naar wijze raad had willen luisteren, of ik had willen horen dat ik besmetting kon voorkomen als ik de spuit van een ander maar niet gebruikte… Nu zeg ik van ‘ja’, maar toen? Ik weet het niet. Gelukkig is het spuitenruilprogramma hier in de stad echt goed op gang gekomen, ook bij jonge gebruikers. Het kost niets en ze leveren letterlijk elk risico – elke besmette spuit – in. En mijn hepatitis? Ik heb een behandeling gevolgd, maar die heeft niets geholpen. De dokters maken zich niet onmiddellijk ongerust, dus ik ook niet. Ik geniet van elke dag, elk uur, elke cleane minuut. Als een brave jongen laat ik me geregeld nakijken en tot nog toe ziet alles er prima uit. Dat het zo maar blijft, echt zorgen maak ik er mij nu niet over.

Enfin, blij dat ik iets van jou heb gehoord. Zorg voor jezelf en laat anderen voor jou zorgen! Ik weet wat jij nu doormaakt, maar het is de moeite waard. Succes en vooral volhouden!

Mark

Een ietwat uitgewoond pand, ergens in een grote stad. Hier woont Mark, 38 jaar en weekendpapa van de 15-jarige Lisa. Hij ziet er goed uit, met een afgetraind lichaam van lopen en rotsklimmen. Mark heeft zijn draai gevonden, ooit was het anders. Jaren geleden ontwende hij op eigen houtje van een harddrugsverslaving.

Hoe het is begonnen? Waarschijnlijk bij mijn geboorte. Niet dat mijn moeder de besmetting met hepatitis C heeft doorgegeven, maar de besmetting is het gevolg van mijn drugverslaving en de oorzaak van die drugverslaving is toch wel in mijn jeugd te vinden. Ik ben de tweede jongste van vijf kinderen. Het jongetje dat net voor mij geboren werd, stierf als baby aan de brozebeenderziekte, osteogenesis imperfecta. Was het uit luiheid of uit onverwerkt verdriet, ik weet het niet, maar mijn moeder gaf mij meteen de naam van mijn overleden broer. De toon was toen al gezet. Ik was niet welkom, net zomin als het broertje dat nog na mij is gekomen. En dat hebben we altijd geweten.

Mijn ouders waren al lang voor mijn geboorte op elkaar uitgekeken en beiden hadden dan ook een resem minnaars en minnaressen. Wij, als kind, vonden dat heel normaal. Wij dachten dat het er overal zo aan toe ging. Voor de rest waren wij een heel gesloten gezin. Wij gingen nooit op bezoek bij familie en vriendjes mochten nooit komen spelen. Toen ik twaalf jaar was, zijn mijn ouders uiteindelijk gescheiden. ’s Middags vertelden onze ouders het, ’s avonds moesten we kiezen bij wie we gingen wonen en inpakken. Een dag later leek het alsof we nooit een gezin waren geweest. Mijn zus en mijn oudste broer trokken mee met papa, ikzelf en mijn twee andere broers gingen met mama mee. We verhuisden meteen naar het huis van de toenmalige vriend van mijn moeder, mijn eerste stiefpapa.

De herinneringen aan die tijd zijn met verdriet beladen. Ik miste mijn oudere zus verschrikkelijk, zij was mijn toeverlaat, mijn hulp en mijn zekerheid. Ik moest van school veranderen, ik zag mijn vriendjes niet meer en ik werd voor het eerst geconfronteerd met een zware alcoholist, want dat was de partner van mijn moeder. Het was voor mij echter meteen een kwestie van overleven. Voor verdriet, rouw en gemis was er geen plaats.

De school waar ik naartoe werd gestuurd, was zo groot dat ik er letterlijk in verloren liep. Ik vond er aansluiting bij een paar jongens, kinderen zoals ik die zich ook slecht in hun vel voelden. Het gevolg laat zich raden. Ik was twaalf jaar, trok op met jongens die elkaar slecht beïnvloedden en ik dronk snel zo veel als een volwassene. Van mijn stiefpapa mocht ik geen ASO volgen, hoewel ik daar wel het verstand voor had. Het werd technische, want met een stiel kon je snel geld verdienen, vond hij. Ik verveelde me steendood, dronk nog meer en werd rebels.

De school bekeek het met lede ogen – ik haalde voortdurend kattenkwaad uit maar niemand vond mij een vervelende jongen – en liet me even betijen. Maar aan het einde van het derde jaar werd het zelfs de school te veel. Ik vloog aan de deur. Ik dronk toen dagelijks, in het weekend was ik ladderzat en ik rookte jointjes, nam LSD en speed.

School was niets meer voor mij, ik zou wel gaan werken. Twee jaar heb ik toen als inpakker gewerkt. Afstompend werk dat alleen maar werd goedgemaakt met de gedachte dat ik na het werk kon uitgaan. Mijn moeder reageerde daar niet op, haar motto was: wie oud genoeg is om te gaan werken, is oud genoeg om te weten wat hij wil en wat hij doet. Mijn stiefvader reageerde ook al niet. Mijn broers en ik hebben hem trouwens op een dag zo goed duidelijk gemaakt dat wij het niet pikten dat hij ons sloeg, dat hij het op eigen initiatief een paar weken later is afgetrapt. Daardoor werden mijn oudste broer en ik meteen ook de kostwinners in huis.

Het ging met mij van kwaad naar erger. Niet zelden ging ik van mijn werk recht naar de kroeg en van de dancing ’s morgens onmiddellijk naar het werk. Ik snoof speed, dronk mateloos en rookte cannabis.

Toen ik zeventien jaar was, liep ik voor de eerste keer tegen de lamp wegens dealen. Met ons drieën werden we opgepakt. Ik nam, als minderjarige, de schuld op mij en vloog naar de gesloten instelling in Mol. Drie weken later kwam ik vrij.

Toen ik thuis kwam, leek het alsof mijn moeders frank gevallen was. Plotseling begon zij voor alles regels op te stellen: zo laat mocht ik vertrekken, zo laat moest ik thuis zijn. Ik had echter nooit regels gekend, dus ik pikte het ook niet dat zij er nu opeens oplegde. Ik stopte wat spullen in een tas en vertrok. Zes maanden heb ik toen op straat geleefd. In die tijd ben ik drugs beginnen te spuiten. Toen ik negentien jaar was, werd ik opnieuw opgepakt wegens dealen. Op een megaproces met 24 beklaagden werd ik tot zes maanden effectief veroordeeld. Maar nog tijdens de periode van het vooronderzoek geraakte ik weer in de problemen en werd ik opnieuw opgepakt. Alles samen werd ik tot een jaar cel veroordeeld. Later werd die, dankzij een goede advocaat, omgezet in probatie.

Twee jaar ben ik aan de harddrugs geweest. Ik heb zowat alles gespoten, behalve heroïne. Acht op tien keer gebruikte ik mijn eigen spullen, mijn eigen lepel, mijn eigen spuit. Een jonge apotheker ruilde onze spuiten nog voor er sprake was van een georganiseerde spuitenruil. Die man heeft veel jonge levens gered, besef ik nu. En toch gebeurde het dat ik spullen van een andere verslaafde gebruikte. Niet vaak, maar vaak genoeg om hepatitis B en hepatitis C op te lopen. Gelukkig geen HIV.

Nu, jaren later, denk ik nog altijd te weten hoe en waar en van wie ik mijn besmetting met hepatitis C heb gekregen. We hadden Amerikanen op bezoek, gebruikers. Ik heb hun spuit gebruikt. Later zou blijken dat ik een genotype hepatitis C heb dat vooral in Amerika voorkomt. Ik hoef er geen tekeningetje bij te maken.

Hoewel… In dezelfde periode heb ik ook tatoeages laten zetten in het Antwerpse schipperskwartier. Van ontsmet en clean tatoeëren was er toen nog geen sprake. En ik was toen ook niet vies van een spelletje groepsseks. Eigenlijk kan ik het ook op die plaatsen hebben opgedaan. De Antwerpse tatoeëerder ben ik later wel tegengekomen op een congres over hepatitis C. Die man was zich duidelijk bewust van het gevaar dat onhygiënisch tatoeëren met zich meebrengt. Ik heb toen zelfs nog even met hem gepraat en hij lachte dat het er bij sommige van zijn collega’s inderdaad wel anders aan toegaat. Hij verzekerde me dat hij wel wist waar zijn verantwoordelijkheid lag.

Werken was er voor mij toen ook niet meer bij. Ik dealde en ik stempelde, stempelde en dealde. Ik had geen contact meer met mijn familie en de enige die ik nog in mijn leven binnenliet, was mijn peter. Die betaalde voor mij ook de borg van een appartementje waardoor ik, na een hele tijd op straat te hebben geleefd, opnieuw een dak boven mijn hoofd had.

In die tijd leerde ik een Griekse vrouw kennen en ik was tot over mijn oren verliefd. Zij rookte cannabis, maar meer ook niet. Ik woonde toen in een huis met zeven junkies. Op een dag kwam ze woedend de badkamer binnen waar al mijn spuitpullen naast de wasbak lagen. ‘Jij hebt twee meisjes,’ stelde ze. Ik ontkende dat. Ze mocht van mij alles zeggen, maar niet dat ik vreemd ging. Dat was er te veel aan. Ze herhaalde het: ‘Jij hebt twee meisjes.’ Ze wees naar zichzelf en naar de drugs naast de wasbak. Ik moest een van de twee kiezen.

Die confrontatie was hard maar duidelijk. Ik vond altijd dat ik een romanticus was en toen bewees ik dat ook. Ik nam al mijn drugsgerief en spoelde het door het toilet. Ik heb mezelf opgesloten en heb de drugs letterlijk uitgezweet. Het was een hel, maar het resultaat was wel dat ik clean werd.

Ik ben toen een jaar clean gebleven. Tot mijn Griekse vriendin het niet meer zag zitten en bij me wegging. Voor haar was ik met de drugs gestopt, ik vond dat ik geen reden meer had om clean te blijven als zij er toch niet meer was. Ik begon opnieuw. Alleen ‘pakte’ het niet. De roes van vroeger kwam er niet, het lukte niet. Ik stopte en deze keer was het definitief.

Ik wil niemand wijsmaken dat ik vanaf dat moment een engeltje ben geworden. Daarvoor was de drank veel te verleidelijk. Ik leerde een nieuwe vrouw kennen. Zij kocht de cannabis die ik verkocht, hoewel ik er zelf niet van gebruikte. Zij trok bij mij in en van de ene dag op de andere dag besloot ik dat ik zou stoppen met dealen. Dat meisje had ook een zoontje en die jongen kwam bij ons wonen. Ik vond dat je geen enkel kind een omgeving vol dealers en druggebruikers kon aandoen.

Samen vertrokken we naar Kreta. Drie weken waren voor mij lang genoeg om te beseffen dat dit was wat ik zocht. Ik kwam terug naar België maar besloot heel snel naar Kreta terug te keren. Die maanden deden mij zowel fysiek als psychisch ontzettend goed.

In België liet ik de grote stad voor wat ze was en ik verhuisde naar een boerengat, ver van alle verleidingen. Ik volgde een opleiding bij de VDAB en werd automecanicien. Weer een vergissing, want eigenlijk was dat niets voor mij. Op dat moment werd ik ook vader. Nu bekeken waren we er geen van beiden klaar voor, maar ik heb er nooit een seconde spijt van gehad.

Om een lang verhaal kort te maken: we verhuisden naar Kreta en de twee kinderen gingen mee. Het leek paradijselijk tot ik ontdekte dat mijn vriendin daar een vriend had. Voor mij kon dat niet en ook die relatie mondde uit op een scheiding. Maar met mijn dochter ben ik altijd contact blijven houden.

Ondertussen – ouder en misschien wijzer geworden – wist ik wel wat ik met mijn leven wilde. De sociale sector was iets voor mij, dat wilde ik doen. Ik ging dus in avondonderwijs orthopedagogiek studeren. Na vier jaar was ik afgestudeerd.

En net op het moment waarop ik er echt van overtuigd was dat ik mijn hele leven op de sporen had, net toen ontdekte ik dat ik besmet was met hepatitis C. Ik was al langer wat op de sukkel met mijn gezondheid: ik had gezichtsverlies en overal gewrichtspijn. Voor een twintiger was ik ook opvallend moe. Ik had alle symptomen van diabetes en dat was precies ook wat de huisarts dacht. Alleen had ik geen diabetes. Wat het wel was, wist hij niet. De symptomen kwamen en gingen. Soms waren ze aanwezig, soms voelde ik me kiplekker.

Ik sukkelde voort en vond een nieuwe baan in de welzijnssector en een nieuwe liefde. Ik werkte als straathoekwerker en voelde dat dit echt mijn ding was. Tot de dag waarop ik me toevallig prikte aan een spuit die ik tijdens mijn straathoekwerk had opgeraapt. Ik meldde het meteen, want mocht later blijken dat ik door dat incident een besmetting had opgelopen, dan kon ik een beroep doen op het fonds voor arbeidsongevallen. Diezelfde dag nog kon ik voor een bloedproef terecht op de medische dienst van het centrum waar ik toen als straathoekwerker werkte. Toen ik een paar dagen later de verpleegkundige tegenkwam, vroeg ze me meteen of ik al bij de dokter was geweest. Ze hoefde niets meer te zeggen, ik voelde meteen dat er stront aan de knikker was.

De arts wond er geen doekjes om. ‘Je hebt hepatitis B gehad en nu heb je hepatitis C,’ zei hij rechtuit. Hij hoefde me niet veel meer uitleg te geven. Als welzijnswerker had ik een symposium gevolgd over hepatitis C. Ik ben toen recht van bij de dokter naar mijn afdelingshoofd gelopen. Zonder omwegen heb ik hem gezegd dat ik hepatitis C had en gevraagd of die besmetting effect zou hebben op mijn arbeidscontract of mijn werkomstandigheden. Gelukkig werkte ik in een sector die heel vertrouwd is met hepatitis C-besmetting. Het afdelingshoofd stelde me onmiddellijk gerust. Meer nog. Ik moest mijn tijd nemen om het slechte nieuws te verwerken en me te informeren. Ik mocht de maat aangeven, mijn werk zou volgen.

Ik ben toen naar buiten gestapt en heb een grote wandeling gemaakt. En ik heb gehuild, vreselijk hard gehuild. Toen ik geen tranen meer had, ben ik naar huis gegaan, naar mijn vriendin. Ik had een heel klein hartje, want ik was niet zeker hoe zij op die boodschap zou reageren. Zij nam het echter heel goed op. Het boekje van het symposium over hepatitis C lag nog altijd in de kast en zij is er onmiddellijk in beginnen te lezen. Ik ging ook op zoek naar meer informatie en belandde uiteindelijk in het universitair ziekenhuis. Via de leverpunctie ontdekte men dat er minimale leverschade was maar wel een grote virus load. De arts vond het trouwens verbazingwekkend dat mijn lever nog in zo’n goede toestand was na een vermoedelijk vrij lange tijd van besmetting. Hij stelde me voor in een studie te stappen. Drie keer per week moest ik mezelf inspuiten met interferon en elke dag moest ik ribavirine nemen.

Dat jaar ben ik een beetje door de hel gegaan. Beeld je in: een junk die afgekickt is en opnieuw moet spuiten. Die confrontatie was ontzettend zwaar. Ik maakte ook hoge koorts, ik hallucineerde, voelde me vreselijk slap en mijn haar viel uit. Maar eigenlijk kon ik daar vrij goed mee om. Veel moeilijker had ik het zelf met mijn stemmingwisselingen. Ik was altijd wel nogal een heftig baasje geweest en als jongeman had ik problemen om mijn agressie in toom te houden. Door veel vallen en af en toe opstaan had ik geleerd me te beheersen. En plotseling, door die medicatie, lukte me dat niet meer. Ik werd opnieuw agressief en ik had het gevoel dat ik er geen enkele controle meer over had. Bovendien ondervond ik nog een bijwerking waarover weinig wordt gesproken: ik werd impotent. Tijdelijk weliswaar, maar als gezonde man met een gezonde appetijt was ook dat erg frustrerend en confronterend.

Toch ben ik die hele tijd blijven werken, die ene halve dag niet te na gesproken dat het echt niet ging en ik in bed ben blijven liggen. Op dat gebied was ik erg streng voor mezelf: ik had op eigen houtje mijn verslaving overwonnen en dan zou dit me klein krijgen? Geen sprake van. Integendeel. Ik leefde ascetisch als een overtuigde monnik: ik rookte niets en dronk geen druppel. Ik verzorgde mijn lichaam als nooit tevoren en tegelijkertijd begon ik het uit te dagen. Twee maanden voor het einde van de therapie begon ik te lopen. Ik liep rondjes in het park en ik voelde dat ik op dat moment wel controle over mijn lichaam kreeg. Op mijn tempo weliswaar. Dat deed me ontzettend goed.

De inspanning die ik mij een jaar had getroost, had niet het gewenste effect. De uitslag was negatief: het virus zat er nog altijd. En ik kreeg nog een bijkomend cadeautje: psoriasis, een huidziekte waardoor ik onder meer op mijn armen schilferige plekken kreeg.

Het ‘sorry’ van de artsen omdat de behandeling niet had geholpen, deed er niet veel toe. Zij stelden mij, wat ik noem, een ‘compassion treatment’ voor, een behandeling voor de hopeloze gevallen. Ze zouden me interferon en ribavirine en amantadine geven. Ik heb dat toen geweigerd. Voor mij was het genoeg geweest, mijn energie was even uitgeput. Een ander moest de fakkel maar overnemen.

Ik ben zeer snel na de diagnose van hepatitis C wel op zoek gegaan naar de mensen met wie ik ooit gebruikt heb. Ik wilde hen op de hoogte brengen, hun duidelijk maken dat ook zij mogelijk besmet waren. Een aantal heb ik teruggevonden, een heel deel niet. Van diegenen die ik heb kunnen opsporen, heeft een aantal zich laten testen. Geen van hen was besmet. Voor mij was dat een opluchting.

De relatie met mijn toenmalige vriendin is toen na acht jaar afgesprongen. Neen, niet door de besmetting of door de behandeling! Integendeel. Ik denk dat zij mij veel vroeger had verlaten, was ik de behandeling niet begonnen. Zij vond echter dat ze me niet in de steek kon laten op een moment dat ik het zo moeilijk had.

Op mijn werk kreeg ik een serieuze burn-out. Niet tijdens de behandeling, maar achteraf heb ik mijn klop gekregen. Ik ben maanden thuis gebleven, heb toen echt een balans van mijn leven gemaakt en me afgevraagd wat ik verder zou doen. En ik ben tijdelijk bij vrienden ingetrokken.

Ook die periode heb ik overleefd. Ik ben opnieuw gaan solliciteren en aan het werk gegaan. Voor mezelf heb ik toen besloten dat ik er voor mezelf en mijn omgeving het beste van moet maken. Ik heb een Lat-relatie en dat gaat prima. Het contact met mijn dochter is onwaarschijnlijk plezant. Ik geniet ervan als zij hier is en zij kennelijk ook, want ze komt hier tijdens de blok uren studeren.

Ik ben besmet met hepatitis C. So what? Natuurlijk word ik ermee geconfronteerd. Lang heb ik gedroomd van een eigen huis. Ik wilde een stek voor mezelf kopen. Maar dat gaat niet. Ik ben wel gaan informeren. De verzekeringsarts onderzocht me en zuchtte. ‘Beste mijnheer,’ zei hij. ‘Het is lang geleden dat ik nog zo’n gezonde mens ben tegengekomen, maar je krijgt de verzekering niet.’

Dat was even slikken, al had ik het wel verwacht. Ik ben me toen aan alle kanten beginnen te informeren. Het kon toch niet dat ik de enige was met dit probleem? Ik zocht informatie, maar vond ze niet. Ik ging naar een vereniging die zich ontfermt over HIV-positieve mensen. Zij moesten toch hetzelfde ondervinden? De hulpverleners daar vielen uit de lucht. Ze hadden daar nog nooit van gehoord.

Op die manier ben ik uiteindelijk bij de Vereniging voor Hepatitis C terecht gekomen. Daar waren ze niet verbaasd toen ze mijn verhaal hoorden. Maar een oplossing lijkt er voor mij niet te bestaan. Er zijn wel hepatitis C-patiënten die een schuldsaldoverzekering kunnen krijgen, maar ze moeten daarvoor afdokken. Niet zelden is hun premie tot drie keer zo hoog is als die van niet-besmette klanten. Elke aanvraag wordt individueel geopend, bestudeerd en veel te vaak afgewezen. Sommigen opperen dat je maar moet liegen, doen alsof je helemaal niet weet dat je besmet bent. Verzekeringsfraude noemen zulke mannen dat, als je dan toch iets voorhebt. En dan zadel je de achterblijvers op met het probleem. Neen, dat wil ik niet.

Ik heb er me dus bij neergelegd: een eigen huis wordt niets voor mij. Zelf heb ik het nu aanvaard. Een mens kan perfect gelukkig zijn zonder een eigen hoopje stenen. Maar ik heb het er maanden lastig mee gehad. Ik was woedend, razend. Ik heb mijn oude leven definitief vaarwel gezegd en dit is het laattijdige cadeau dat me de rest van mijn leven met mijn neus op de feiten zal drukken.

Maar ik moet ook eerlijk zijn: de besmetting met hepatitis C is in zekere zin ook positief geweest. Ik geniet zo veel meer. Ik ben altijd wel impulsief geweest en dat is alleen maar sterker geworden. Positief dan. Ik geniet intenser van elk moment, van elke dag. Heb ik vrij, is het mooi weer en lonkt de zee, dan zal ik geen dertig seconden twijfelen. Ik stap op de trein en spoor naar zee.

Leven met een hepatitis C-besmetting is meer dan goed mogelijk. Je moet alleen realistisch blijven. De enige momenten waarop ik mij in het verleden echt goed bewust was van mijn besmetting, was als mijn dochter voor de zoveelste keer met kapotte knieën kwam huilen in de keuken. Dan betrapte ik me erop dat ik heel snel mijn handen en armen inspecteerde op wondjes voordat ik haar verzorgde. Ik ben nu een actieve bergbeklimmer en dan heb je altijd wel kleine schaafwondjes. Maar Lisa is de leeftijd van de kapotte knieën al lang gepasseerd. Sommige ouders durven niet uit hetzelfde glas drinken als hun kind. Absurd is dat!

Ik weet dat ik over 25 jaar met levercirrose geconfronteerd kan worden. Het zij zo. Tegen die tijd hebben ze misschien al lang een of andere fantastische uitvinding gedaan.

Het gevoel is voor mij wat dubbel: ik lig er niet wakker van maar tegelijkertijd besef ik wel dat er een hypotheek op mijn leven ligt. Soms treft het besef me ’s morgens bij het opstaan als een mokerslag. Dan is mijn hele dag naar de vaantjes. Gelukkig gebeurt dat maar één keer om de zoveel maanden.

Na mijn burn-out heb ik op mijn werk ontslag genomen. De werkgever bij wie ik nu in dienst ben, weet niet dat ik hepatitis C-besmet ben. Het is niet relevant voor mijn werk, dus ook niet voor hem, vind ik. Mijn roeping ligt in de hulpverlenerssector. Daar ben ik goed in en dat besef ik nu ook ten volle. Ik kan daar ook ontzettend nuttig zijn, want ik weet precies waarover ik het heb. Soms kan ik mij er zo druk over maken dat alle preventiecampagnes over HIV en aids gaan. Maar zoveel meer mensen zijn besmet met hepatitis C! Acht op tien intraveneuze druggebruikers hebben een hepatitis C-besmetting terwijl ‘slechts’ zes procent HIV-besmet is. Toch blijft de prioriteit naar HIV gaan. Net hetzelfde geldt voor tatoeages. In een restaurantkeuken regelt de overheid van alles en nog wat, tot in het absurde. Maar eender welke (semi)creatieve burger mag zich tatoeëerder noemen en mag er à volonté op los prikken.

De meeste druggebruikers geraken het eerste jaar van hun verslaving besmet. Die jongeren moet je kunnen bereiken en dat kan alleen op straat. Peersupport is dan ook uiterst belangrijk. We moeten die jonge gebruikers ervan doordringen dat het niet zo moeilijk is te vermijden dat je besmet geraakt. Gebruik altijd je eigen materiaal, en dat geldt voor alle materiaal. Dus ook voor het glas water waarin je je spuit voltrekt. Ik merk ook dat sommige gebruikers wel weten dat ze geen spuiten moeten delen, maar dan zonder enige aarzeling hun snuifbuis voor cocaïne doorgeven. Het neusslijmvlies van cocaïnegebruikers is bijna altijd beschadigd, dus bron van besmetting en ontvankelijk voor besmetting.

Of ik geloof in preventie? Natuurlijk, anders zou ik er niet zo achter staan. Ik weet wel dat er een groep is die we nooit zullen kunnen bereiken: die druggebruikers die enkel gebruiken uit louter destructief gedrag. Zij willen kapot, eraan. Preventie helpt daar niet. Maar misschien kunnen we hen wel overtuigen om anderen niet te besmetten.

Uit het boek ‘Er ligt iets op mijn lever. Het (on)mogelijke leven met hepatitis C’

Désirée de Poot & VHC vzw