Getuigenis Olivier

“Ok, hepatitis C is niet leuk, maar de behandeling is echt wel te doen”

Hoi collega’s, of beter: ex-collega’s

Beter laat dan nooit, zeggen ze soms. Wel, deze mail komt dan ook laat. Misschien veel te laat. Sorry, driewerf sorry. En eigenlijk schrijf ik deze mail een beetje onder dwang. Omdat het nu eenmaal een menselijk gegeven is om minder goede periodes uit je leven te bannen en te doen alsof die er nooit zijn geweest. Al kun je uit die moeilijke momenten soms tips halen waar de ‘nakomelingen’ ook iets aan hebben.

Zo ging het ook gisteren met Biene. Alsof ze gevoeld had dat we de eerste echt zomerse dag zouden hebben, kwam ze op ons terras aperitieven. Biene is een collega van mijn vrouw Hildegarde. Ze is nogal druk bezig met alles wat te maken heeft met hepatitis C-besmetting. Enfin, zij en de vereniging voor hepatitis C-patiënten hebben echt wel ’t een en ’t ander verzet.

Het gesprek ging dan ook – hoe raad je het – over hepatitis C. Je weet, of je weet niet, dat ik dat ook onder de leden heb gehad, jaren geleden. Ook toen ik midden in mijn behandeling zat, heb ik mij de bedenking gemaakt dat de wereld niet altijd fair in elkaar zit. Niet alleen omdat nu juist ik besmet was, maar ook omdat ik eigenlijk nog nooit van hepatitis C had gehoord vooraleer ik zelf de diagnose kreeg. Het lijkt wel of de overheid voornamelijk aids en kanker kent, maar vergeet dat hepatitis C veel agressiever, gemener en dodelijker is.

Begrijp me niet verkeerd: ik wens niemand dan ook maar enige ziekte toe en vanaf nu zal ik me echt onthouden van eender welke vergelijking met andere aandoeningen of vijanden in ons lichaam. Maar de preventie rond hepatitis C wordt door de verantwoordelijken voor volksgezondheid naar mijn bescheiden mening nog altijd niet naar behoren uitgevoerd.

Ik moet je niet vertellen dat Biene het roerend met me eens was. Ik vertelde haar dat ikzelf ooit lid ben geweest van de vereniging, maar na mijn genezing niets meer van me liet horen. Ik gooide het ledenblad systematisch in de vuilnisbak omdat ik vond dat er zo veel negatieve getuigenissen in stonden, terwijl ik tijdens de behandeling gewoon verder ben blijven functioneren.

Ik kreeg prompt de wind van voren. Als er geen positieve getuigenissen zijn, dan komt dat omdat zoveel genezen patiënten de bladzijde willen omslaan en gewoon verder willen doen. Met als gevolg dat hun positieve getuigenis de mensen die nu nog een therapie volgen, nooit bereikt.

Ik moet zeggen dat ze me daar zo streng bij aankeek, dat ik bijna onder tafel kroop. Eigenlijk heeft ze gelijk. Vandaar deze mail. Deze mail aan de collega’s en – wat mij betreft – ex-collega’s. Collega’s in de strijd tegen een beestje dat je leven grondig overhoop haalt, maar dat je niet mag toelaten dat het je leven helemaal gaat beheersen.

Enfin, een positieve boodschap dus…

Succes, moed, courage…

Olivier

Olivier is een typisch Antwerpse dertiger. Rad van tong, actief en onvermoeibaar. Met zijn vrouw Hildegarde en dochtertje Femke woont hij op een appartement in de metropool.

Precies vijf jaar geleden begint mijn hepatitis C-verhaal, al was ik mij in juni 2000 nog niet bewust dat ik drager was van het virus. De milleniumwende was een jaar om snel te vergeten. In het voorjaar van 2000 werd een van onze beste vrienden op een wrede en laffe manier van het leven beroofd, enkele weken voor ik met Hildegarde zou trouwen. We balanceerden tussen verdriet om het verlies en geluk om ons huwelijk en het was zelfs voor ons niet altijd duidelijk welk gevoel primeerde.

Onze trouwdag was onvergetelijk, onze huwelijksreis naar New York was fantastisch en kort nadien kochten we een appartement in Antwerpen, slechts enkele straten van het huurappartement waar we tot dan toe hadden gewoond. Het appartement was zo nieuw dat het nog gebouwd moest worden. Het had alles waar we van droomden en vooral een groot en zonnig terras.

In juni van datzelfde jaar werd ik dertig. Per toeval (hoewel sommigen blijven beweren dat toeval niet bestaat) moest Hildegarde naar de huisdokter en ik, de ideale echtgenoot, besloot om haar te vergezellen. Terwijl ik daar toch was, vroeg ik de huisarts om mijn bloed ook eens te onderzoeken. Ik kende mijn bloedgroep niet eens en met mijn levensstijl kon een onderzoek van mijn cholesterolgehalte ook geen kwaad, dacht ik.

Onze huisdokter, maar een paar jaar ouder dan ikzelf, liet me een dag later al bellen om de resultaten. Tot mijn grote verwondering zag alles er prima uit, behalve een klein ‘maar-tje’. Bepaalde leverwaarden vertoonden een vreemd patroon, vond de dokter. De transaminasen waren veel te hoog. Voor mij klonk het als chinees. Zoals elke gezonde jongen van mijn leeftijd wist ik even veel van transaminasen als van het paringsgedrag van de ballonvis: niets dus. Ik moest dus steunen op het oordeel van de kenner, de huisarts.

Die was niet meteen verontrust. Hij vermoedde dat ik net iets te veel van sommige geneugten des levens had geprofiteerd. Iets te veel gegeten, een slok te veel gedronken en de afwijkende waarden hadden hun verklaring.

De arts raadde me aan zes maanden te wachten en dan opnieuw mijn bloed te laten onderzoeken. Ik was er van overtuigd dat de huisarts gelijk had. Mijn verjaardag was net achter de rug, we kwamen van huwelijksreis en we waren nog altijd in onze wittebroodsweken… De man zou gelijk hebben.

Zes maanden na het vorige onderzoek bij de huisarts, maakte ik heel plichtsbewust opnieuw een afspraak. Nu vraag ik me nog altijd af wat me zo punctueel naar die dokter heeft gedreven. Ik, die de huisdokter niet echt als mijn grootste idool zie. Toch ben ik gegaan, hoewel ik het toen bijzonder druk had. Ik was van werkgever veranderd en de nieuwe uitdaging nam verschrikkelijk veel tijd en energie in beslag.

De dokter prikte bloed, vulde buisjes en zou de bloedstalen dit keer specifiek op leverwaarden laten testen.

Naar bijna oude gewoonte, mocht ik hem de volgende dag opbellen. De man klonk verbaasd. Wat hij had verwacht, was niet gebeurd. Mijn leverwaarden waren er helemaal niet beter op geworden, hoewel ik mijn levensstijl toch wat had aangepast en de wittebroodsweken ondertussen maanden achter de rug waren. De arts was eerlijk. Hij begreep het allemaal niet zo goed en hij wist van geen kanten wat er aan de hand was. Hij raadde me aan om hem een dag de tijd te geven. Zo kon hij het eens allemaal in zijn boeken opzoeken.

Een dag later ving ik bot. De huisarts had het veel te druk gehad en van studiewerk was er niets in huis gekomen. Of ik na het weekend eens wilde terugbellen. Braaf als ik was (en nog altijd ben!), maar toch lichtelijk ongerust, belde ik hem de maandag opnieuw op. Dit keer kreeg ik een geagiteerde dokter aan de lijn. Hij had nog geen tijd gehad en ik moest maar nog een dagje wachten.

Nu ben ik ook een geduldige jongen, maar dat geduld was toen echt wel op. Ik nam de telefoon en belde zelf naar het laboratorium om de resultaten op te vragen. Via de meest betrouwbare kanalen ter wereld – lees: mijn ouders en mijn schoonouders – lagen de resultaten dezelfde dag nog op het bureau van bevriende medici-specialisten. Hun diagnose gaf echter ook weinig zicht op de zaak. Er was duidelijk binnenin mij iets niet in orde, maar wat precies, wisten ze ook niet. Uiteindelijk belde ik de dienst gastrologie (tja, waar moest ik anders terecht?) van het universitair ziekenhuis om een afspraak te maken. Dat kon zonder probleem…mits ik de wachttijd van drie maanden respecteerde.

Het nieuws vloog ondertussen de vriendenkring rond. Olivier zat met ‘Een Vraagteken’. De vrienden deelden mijn onrust en Marie, een vriendin des huizes, forceerde via een vriend een afspraak in een perifeer ziekenhuis. De vrouwelijke maag-, darm- en leverspecialiste vertelde me onomwonden dat ze wel een vermoeden had, maar dat ze om zeker te zijn eerst een leverbiopsie wilde doen. Die punctie bleek een paar uur later de meest pijnlijke prik te zijn van de 335 prikken die nog moesten volgen. De leverstaal liet echter geen enkele twijfel meer open: ik was drager van het hepatitis C-virus en mijn lever toonde al sporen van cirrose.

De specialiste nam haar tijd en legde me van naaldje tot draadje uit wat die besmetting nu precies inhield en vooral welke schade het virus aan de lever kon aanrichten. Haar boodschap was niet echt hoopgevend: het virus was eigenlijk vrij recentelijk ontdekt en de informatie er over was zo schaars dat ze er amper een bijsluiter mee kon vullen. Maar het echte venijn zat in de staart: er bestond nog geen medicijn tegen het virus omdat het zo sterk muteert en omdat binnen een en dezelfde drager verschillende varianten voorkomen.

De specialiste besloot om me door te sturen naar een van de grote pioniers op het gebied van hepatitis C, een prof in het universitair ziekenhuis. Hetzelfde ziekenhuis trouwens waar ik nog altijd in blijde verwachting was voor een afspraak op gastrologie. Die prof was net bezig met de coördinatie van een project in opdracht van – en vooral voor rekening van – een groot farmaceutisch bedrijf. Een paar dagen later zat ik al voor de Antwerpse prof. Tot mijn verbazing had hij in die paar dagen mijn leverstaal al opnieuw laten onderzoeken. Hij was het op alle fronten eens met zijn perifere collega, maar er was een belangrijk nuanceverschil. De leverstaal wees volgens hem niet meteen op leverschade of cirrose. Toch minstens een grote meevaller om mee te starten.

De Antwerpse prof gaf me meteen een degelijke en deskundige uitleg. Aanvankelijk had ik wat reserves tegenover de man. Hij was bijzonder vriendelijk, maar o zo nuchter. Emotieloos legde hij me tot in de puntjes uit wat de gevolgen konden zijn van de schade die het virus aanricht. Omdat de farmaceutische industrie een wedren houdt om als eerste het juiste medicijn te vinden, waren verschillende bedrijven sedert 1990 bezig met het wedijveren om het antivirus te vinden. Ik kon dat alleen maar toejuichen.

Het project waar de specialist in Antwerpen aan meewerkte, was de combinatie van interferon en ribavirine. Het eerste is een vloeistof die intraveneus, recht in de ader, wordt toegediend. Het tweede zijn pilletjes.

De arts legde mij de studie uit. Er waren drie groepen: zij die ofwel  dagelijks, ofwel driedagelijks of ofwel wekelijks een injectie interferon zouden inspuiten. Het lot zou bepalen aan welke groep ik toegewezen zou worden. Het bleek de eerste groep te zijn, de groep die dagelijks interferon zou injecteren. Dagelijks zou ik vier miljoen eenheden interferon prikken, samen met zes pillen ribavirine.

Ik kreeg van de arts een schematische voorstelling van de ziekte: een op de vier patiënten zou het geluk hebben dat het virus spontaan verdwijnt of door het lichaam zou worden verdreven. De overigen hebben een kans op de twee om goed te reageren op een medicijnencocktail. Kleine nuance: een op de twee mensen die goed reageren, vertonen nog na een tijd herval.

Ik vroeg de prof meteen wat de kans was dat ik niet genas en uiteindelijk zou overlijden door een defecte lever. De man reageerde – ook nu weer – erg nuchter. De kans dat ik voor mijn veertigste een dodelijk ongeval zou krijgen, was ook ooit berekend. Maar daarom liet ik toch niet na om dagelijks het risico te nemen, repliceerde hij.

Die uitspraak heeft toen veel reserves bij mij weggenomen. Ik vertrouwde die man en wilde hem al mijn vertrouwen schenken.

Meteen ging ik tot in de details op zoek naar de manier waarop interferon zijn werk doet. Eigenlijk is het een kopie van een menselijk eiwit dat je ook aanmaakt als je griep hebt bijvoorbeeld. Dat antivirus omkapselt het vijandige virus en schakelt het onverbiddelijk uit. Van deze gruwelijke microstrijd zou ik niets merken. De nevenverschijnselen zou ik wel onmogelijk kunnen ontkennen: koorts, spierpijnen, koud-warm gevoel, gebrek aan eetlust…noem het maar op.

En ik kon ze opnoemen. Ze stonden immers netjes op een rij in de brochure ‘patiënteninformatie’ die ik in het ziekenhuis had gekregen. Naast de symptomen die ik net beschreven heb, stond er ook in dat ik hoofdpijn kon krijgen en vermoeidheidsverschijnselen kon hebben. Maar, zo stelde de brochure, na twee weken zouden die nevenverschijnselen moeten verbeteren. Al mocht ik me ook nog verwachten aan huidproblemen, vermindering van bloedplaatjes, witte bloedlichaampjes en rode bloedlichaampjes, verlies van interesse, desoriëntatie, angst, futloosheid, geheugenverlies, prikkelbaarheid, depressie, epilepsie, gewichtsverlies, opvlamming van huidafwijkingen, schildklierstoornissen, afwijkingen in de veststofwisseling, haaruitval, stoornissen in het hartritme, verminderde zin in seks en impotentie… Daar werd ik even stil van. Heel stil… Ik was pas getrouwd…

Ik kon die nevenverschijnselen voor mezelf kaderen door uit te zoeken waar ze vandaan kwamen. Bleek dat niet de medicijnen, maar mijn eigen lichaam er verantwoordelijk voor was. Het was mijn eigen antivirus die me al die bijverschijnselen gaf.

Dat te weten hielp mij om het te vatten, maar vermeed ze niet. Het ergste, voor mij op dat moment, was iets heel anders. Testen hadden uitgewezen dat de inwerking van de medicatie op het embryo van dieren telkens weer hadden geleid tot ernstige geboorteafwijkingen en spontane miskramen. Tot zes maanden nadat de behandeling gedaan was – dus tot anderhalf jaar na de start van de behandeling – kon er geen sprake zijn van baby’tjes-maken. Net op het moment dat Hildegarde en ik baby-klaar waren, kon het niet.

We waren immers nog maar enkele maanden getrouwd toen zowel Hildegarde als ik naar een kindje begonnen te verlangen. Vol enthousiasme hadden wij ons op de voorbereidende werken gestort. Plotseling leek alsof onze directe toekomst van jonge-papa-en-mama-met-baby in duigen viel. Hildegarde en ik hebben er toen heel lang over gesproken. Ik wilde zo snel mogelijk met de behandeling beginnen maar we wilden ook samen zo graag een kindje zonder nog jaren te moeten wachten. We waren er ons ook heel hard van bewust dat mijn stelsel na die periode van een of meerdere behandelingen zwakker zou zijn.

In de volgende weken, waarschijnlijk op het enige moment waarop het toen had gekund, is Femke verwekt. Hildegarde ontwaakte de volgende morgen en ze was er honderd procent van overtuigd dat ons leven de vorige avond een heel andere wending had genomen. Ik was, zoals altijd, de nuchterheid zelve. Ik durfde niet blij te zijn en verdrong mijn geluk. Tot de gynaecoloog een paar weken later bevestigde wat Hildegarde al lang wist: we werden mama en papa.

Een maand later begon ik met de medicatie. Ik haalde in het ziekenhuis mijn dosis pillen en mijn eerste interferonpen (een speciale injectiespuit). Ik moet wel zeggen dat ik toen een bijzonder klein hartje had. De dokter had me nog waarschuwend gezegd dat ik niet meer dan zes Dafalgan- en zes Perdolan- pijnstillers per dag mocht nemen. Dat op zich werkte ook al niet geruststellend. Met de pijnstillers en de koortsthermometer binnen handbereik, probeerde ik in de zetel een gemakkelijke houding te vinden, zodat ik mijn eerste interferonspuit zou kunnen zetten. Onhandig – en vooral onwennig – ontsmette ik het stukje buik naast mijn navel. Ik zette de prik. Met één duimdruk verdwenen vier miljoen eenheden in mijn lichaam, waar ze heel snel in de bloedbanen zouden opgenomen worden en naar het zenuwstelsel vervoerd. Ik besefte plotseling dat mijn ‘oude’ leven voorbij was.

Angstig en onzeker voor wat komen zou, keek ik naar een onbenulligheid op televisie. Ik wachtte af. Dertig minuten later merkte ik niets, een uur later merkte ik nog altijd niets. Drie uur later en zonder enige bijwerking ging ik ontgoocheld naar bed. Ik was ervan overtuigd dat ik bij de lottrekking in een groep was ingedeeld dat geen echt medicijn kreeg toegediend. Op die manier zou men de effecten tussen de ‘echte’ groep en de ‘valse’ groep kunnen onderscheiden, dacht ik.

’s Morgens belde ik onmiddellijk de prof. Ik maakte hem onomwonden duidelijk dat hij niet moest denken dat hij met een dommerik te doen had. Ik had het plaatje wel door. Kon hij mij dan nu onmiddellijk de echte medicatie geven?

De prof moet echt zijn best hebben gedaan om niet in lachen te zijn uitgebarsten. Hij probeerde me op zijn kenmerkend rustige manier uit te leggen dat in deze studie geen ‘naïeve’ patiënten werden opgenomen. Iédereen kreeg het medicijn, alleen op een andere manier toegediend.

Enigszins gerustgesteld zette ik het medicatieprogramma verder. Iedere ochtend en iedere avond slikte ik drie pillen ribavirine en elke avond injecteerde ik mezelf met interferon, recht uit de koelkast. Na een paar dagen voelde ik wat lichte spierpijn in mijn benen, maar langer dan drie dagen heeft dat niet geduurd. Koorts heb ik nooit gehad, noch koud/warm-ervaringen. Tegen alle verwachtingen in zette ik mijn persoonlijk en professioneel leven gewoon verder. Afgezien van mijn geregelde afwezigheden op mijn werk – het gevolg van de frequente bezoeken aan de specialist – merkten mijn collega’s niets van gevolgen van mijn medicatiegebruik. Toch niet in de beginfase.

Het was een geruststelling om te zien hoe het leven eigenlijk gewoon verder ging. Ik had verhalen gehoord van mensen die te horen hadden gekregen dat ze drager waren van het hepatitis C-virus en die een behandeling weigerden uit schrik voor de nevenwerkingen van de geneesmiddelen. Ik geloof de patiënten die afzien van de behandeling en ik wil hun lijden niet bagatelliseren, maar ik ben het levend voorbeeld dat de behandeling ook meer dan draaglijk kan zijn. De som aan het einde van de rit bij mij was hoe dan ook zichtbaar: 12 kilogram lichter, wat minder haar, veel minder energie, humeurig (vooral lastig voor de omgeving) en een vervelende hoest die waarschijnlijk te wijten was aan droge slijmvliezen.

Het gewichtsverlies vond ik niet meteen een probleem. Ik stond en sta nog altijd gekend als een levensgenieter en ik kan absoluut niet weerstaan aan een lekkere maaltijd. Op dat gebied ben ik altijd het absolute kleinkind en de ideale schoonzoon geweest. Tijdens de behandeling heb ik mijn eetlust nooit verloren, maar na één portie had ik meer dan voldoende en pikant eten liet ik met plezier aan me voorbij gaan. Op het einde van de behandeling irriteerde zelfs gewone peper. Waarschijnlijk is dat allemaal ook het gevolg van de mindere slijm- en speekselproductie waardoor mijn tong gevoeliger werd. En, laat ons duidelijk zijn, hoeveel zouden er niet tekenen voor deze vorm van dieet? Alles mogen en willen eten, maar snel verzadigd zijn. Mijn BMI (body mass index) daalde in een jaar van 25 naar 22. Allemaal binnen de normen maar nà de behandeling net iets beter binnen de normen dan er voor. No problemo…

Mijn haarverlies was vooral vreemd. Dag na dag werd het duidelijker dat mijn haar meer dan normaal begon uit te vallen. In de douche dreven plotseling hele plukken hoofdhaar naar de afvoer. Als ik eens door mijn haar streek, had ik genoeg in mijn handen om een hoofdkussen mee te vullen. Gelukkig was de haaruitval vrij regelmatig over mijn hele hoofdhuid verdeeld zodat het niet echt opviel. De wulpse golf die ik hier en daar had, is echter nooit meer teruggekomen. Het haarvolume wel. Die is nu zoals voor de behandeling.

Het meest hinderlijke voor mezelf was het stelselmatig verminderen van mijn energie. Waar ik voor de aanvang van de behandeling in superdrive leefde, merkte ik vanaf de vierde maand behandeling hoe mijn reserves als sneeuw voor de zon smolten. Ik was sneller moe, voelde me gemakkelijker in een dipje en ik recupereerde na een drukke dag opvallend trager. Het stoorde me niet echt in mijn doen en laten. Wanneer ik voelde dat ik dreigde in te dommelen op mijn werk, dronk ik twee gesuikerde dranken na elkaar en de dip was over. Om ’s avonds extra vroeg onder de wol te kruipen.

Vooral mijn vrouw vond dat wel gezellig. Zij was toen al enkele maanden zwanger en ook voor haar ging het licht ’s avonds vroeger uit dan voordien. Als twee gepensioneerden vergezelden we elkaar in onze winterslaap (hoewel het toen volop lente en later zomer werd).

Als ik die hele periode nu analyseer, besef ik dat ik geluk had dat Hildegarde zwanger was. De eerste maanden van haar zwangerschap had ze best wat moeilijke momenten die ik als ideale echtgenoot probeerde op te vangen. Door mijn aandacht op haar te focussen, had ik minder tijd om me op mezelf te plooien en me te wentelen in zelfbeklag. Bovendien leefde ik door de zwangerschap van Hildegarde op wolkjes: mijn levensdroom zou uitkomen, ik zou papa worden van een dochtertje. Daar had ik altijd op gehoopt: een klein meisje.

Omdat we samen hadden besloten dat het geslacht van de baby het best bewaarde geheim moest worden tot op de dag van de geboorte, ontstond op de bijeenkomsten van familie en vrienden ook meer en meer  het spelletje ‘ik weet wat het is en jij niet’. Daardoor werden moeilijke gesprekken over mijn ziekte handig ontweken. Alle aandacht ging naar de toekomstige aanwinst.

Een dag na 9/11, de WTC-torens in New York smeulden nog na, kreeg Mijn Wonder eindelijk een gezicht. En wat voor een! Elke ouder vindt dat zijn baby de mooiste ter wereld is, maar ik kan me niet voorstellen dat iemand mijn trots kon evenaren. Ons Femke is alles wat ik wou en vier jaar later is ze nog altijd primus inter pares.

Ongeveer achttien maanden na de laatste prik is de vermoeidheid verminderd. Tot op vandaag besef ik wel dat de energie die ik vroeger met overvloed had, nooit meer zal terugkomen. Maar het gebrek aan energie heeft me ook nooit verhinderd om die dingen te doen die ik wilde doen. Nog altijd ben ik diegene die het minst last heeft van een jetlag. Ik moet professioneel geregeld naar Noord- en Zuid-Amerika, iets wat ik ook ben blijven doen tijdens mijn behandeling.

Een van de weinige dingen die me nu nog altijd zijn bijgebleven. Zelfs op mijn buitenlandse reizen moest ik mijn interferoninjecties hebben. Interferon moet echter koel bewaard worden en daarom had ik altijd een Tupperwaredoosje bij met een koelelement, alles keurig verpakt in aluminiumfolie. Het had de perfecte bom kunnen zijn. Ik heb tientallen keren bij controles in luchthavens mijn bagage moeten open doen, mijn schoenen moeten uitdoen en de batterijen uit mijn laptop moeten halen. Maar nooit heeft ook maar een bediende zich een vraag gesteld over dat zwarte doosje dat door de scanner ging. Met mijn 60 miljoen eenheden interferon had ik een piloot gemakkelijk een paar uur kunnen uitschakelen. Maar stel je eens voor dat er een aanvalsvirus in de injectiepen had gezeten! Rare jongens, die Amerikanen.

Door de verlaagde reserves en ook door de droge slijmvliezen ben ik wel gestopt met sporten. Nu, jaren na de behandeling, sport ik sporadisch. Alleen kan ik het gebrek aan ritme nu niet meer afwenden op de behandeling. Ik maak er gewoon geen tijd meer voor.

Tijdens de behandeling werden wekelijks bloedstalen afgenomen. Later werd dat om de twee weken en nog later maandelijks. De leverwaarden daalden aanzienlijk. Na drie maanden had ik opnieuw normale waarden. Na zes maanden volgde een test op de virale lading. Mijn vreugde kon niet op toen bleek dat er geen enkel spoor van het virus nog te vinden was.

Ik bleef echter nuchter (en Hildegarde evenzeer). De kans dat het virus zich ergens diep in de krochten van mijn binnenste had verborgen om dan als een duiveltje uit een doosje plotseling te voorschijn te komen, was niet ondenkbeeldig.

In januari 2002 zette ik mijn laatste prik. Mijn buikplooi zag er ondertussen blauw en rood uit en vooral veel minder in omvang door het gewichtsverlies. Waar de naald voordien pijnloos in een vetlaagje zijn weg baande, voelde ik op het einde van de therapie duidelijk de prik.

Ik leek virusvrij en na een controle drie en zes maanden later, werd dat bevestigd: het virus was verdwenen. De prof verklaarde me ‘medisch genezen’. De kans op herval zou zo klein zijn dat ik het mocht uitsluiten. Nu nog laat ik elk jaar mijn bloed controleren en ik blijf zo gezond als een vis.

Alles bij elkaar heb ik geluk gehad. Gesprekken met lotgenoten hebben me geleerd dat niet iedereen zo’n ‘gemakkelijke’ behandeling kent. Velen zijn maanden bedlegerig en sommigen moeten hun job opgeven of merken dat hun leven verzuurt door de medicatie. Anderen worden dan weer depressief en zien het niet meer zitten.

Waarom heb ik dan geluk gehad? Ik ken het antwoord niet. Waarom heb ik het ongeluk gehad om het virus te krijgen? Ook dat antwoord ken ik niet. Ik heb nooit drugs genomen, mijn hele lijf is tatoeagevrij en ik heb nooit een bloedtransfusie gehad. Ik hoor bij die groep van 20 procent besmette personen die een onbekende oorzaak van besmetting hebben. Het zal je maar overkomen…

Toch waren er een aantal elementen die ongetwijfeld positief hebben ingewerkt op mijn genezingsproces. Ik was vrij jong, amper 30 jaar, toen ik met de behandeling startte. Ik was toen erg sportief en mijn lichaam kon dus wel het een en ander verdragen. Ik ben een positivo. Je moet geloven in je kansen om te genezen! De zwangerschap van Hildegarde liet me enerzijds toe om zwakker te zijn, anderzijds leidde het mijn aandacht en de aandacht van mijn omgeving af. De nakende geboorte van mijn dochtertje gaf me een echte reden. Ik wou dat het kind een papa had als iedereen: sterk, gelukkig en gezond. Ik was goed omringd door mensen die me altijd hebben bijgestaan. En ik werd deskundig begeleid. Niet alleen door de prof, maar ook door de gynaecoloog van Hildegarde en de huisarts. Het stelt een mens gerust als hij het gevoel heeft dat bekwame dokters zijn lot in handen hebben.

Het is nu precies vijf jaar na de dag dat ik naar de dokter ging voor die eerste onschuldige bloedtest. Femke ligt in haar bedje en omarmt me, terwijl ze o zo charmant fluistert dat ze voor eeuwig en altijd bij mij wil blijven…

Uit het boek ‘Er ligt iets op mijn lever. Het (on)mogelijke leven met hepatitis C’

Désirée de Poot & VHC vzw